Logo Belgische hopBelgische hop

Hop, een stuk Poperingse geschiedenis

Door de eeuwen heen zijn hop en Poperinge twee onafscheidelijke begrippen geworden. In 768 is er voor het eerst sprake van hop in de streken rond Poperinge.

Tot de 14de eeuw was Poperinge vooral gekend omwille van zijn lakennijverheid. Hier kwam echter een einde aan toen in 1322 Lodewijk van Nevers, Graaf van Vlaanderen, aan Ieper voorrechten schonk wat het laken weven betrof. Sindsdien richtten de Poperingenaars zich meer intensief op de teelt van hop.

In 1574 publiceert de Engelsman Reginald Scot een boekje over de teelt van hop. Hij had, zoals hij het schrijft, afgekeken van de Poperingenaars. De Engelsman beschrijft onder andere hoe een ast moet worden gebouwd voor het drogen met warme lucht. Hij schreef such an Oste as they drie their Hoppes upon at Poppering.

Aangezien uit dit boek blijkt dat de Poperingenaars de Engelsen hop leerden kweken en de Engelsen dit ook gingen doen in Engeland, Amerika en Nieuw-Zeeland, mag dus met recht en rede gezegd worden dat de hopteelt van de Poperingenaars dusdanig aan de basis lag van de verspreiding van de hopteelt over de hele wereld.

In 1880 kende de hopteelt in België een hoogtepunt. Zij werd toen geteeld op een oppervlakte van 4185 ha.

én ook een stuk Aalsterse geschiedenis

Wanneer de eerste hopvelden in Aalst-Asse werden aangelegd is niet exact bekend, doch in de 16de eeuw was deze streek de naam hopstreek waardig. De eerste documenten in het Aalsterse stadsarchief dateren van 1543.

In de middeleeuwen voerden de handelaars van de Landen van Aalst en Asse hun meeste hop naar de Bamismarkt in Antwerpen. Die hop werd te Aalst of te Baasrode ingescheept.

Echter, vanaf de 16de eeuw concentreerde de hophandel zich te Aalst, waar het onder het beheer stond van de Koopmansnering van Sint-Rochus. Door de strenge marktregeling van deze nering behield de Vlaamse hop haar faam tot op het einde van het Ancien Régime (dus tot vóór de Franse revolutie in 1789). Voor het Land van Aalst was de hophandel één van de bijzonderste nijverheidstakken en de hopkooplieden behoorden tot de ingezetenen van het Stadsbestuur.

In de 17de eeuw overtrof de opbrengst van het Land van Aalst de helft van de opbrengst van Europa. Deze hop ging naar Frankrijk, Duitsland, Holland en zelfs Engeland. De Aalsterse markt was vooral afgestemd op Holland en Duitsland. Een groot aantal Duitse brouwerijen uit de streek tussen Elbe en Wezer, verbruikten tijdens het Ancien Régime uitsluitend Aalsterse hop, die er via de havens van Hamburg en Bremen werd ingevoerd.

Tijdens de Napoleontische periode werd de uitvoer van hop naar Duitse havens verboden. Dit was één der gevoeligste slagen die de Aalsterse hopregio ooit getroffen heeft. De Amerikanen namen onze plaats op de Duitse markt in.

In de jaren 1890 werd via de abdij van Affligem de variëteit Hallertau in het Aalsterse ingevoerd en uitgeplant. Het is ook deze variëteit die tot heden het laatst stand houdt in de regio.