Logo Belgische hopBelgische hop

Kwaliteitszorgsysteem Belgische hop

Inleiding

De Belgische hopteelt moet voldoen aan het KB autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid van 14 november 2003.

Op verschillende niveaus moet er dus een autocontrole gebeuren door de hopteler. Het FAVV controleert deze autocontroles door een aantal steekproefcontroles hierop uit te voeren.

In 2004 werd door de vzw Hop, die de volledige Belgische hopproductie overspant, een kwaliteitszorgsysteem ingevoerd dat zich richt op de teelt, de bewaring en het transport van hop volgens goede agrarische praktijk.

Het doel van dit kwaliteitszorgsysteem is maximale garanties leveren naar kwaliteit, voedselveiligheid en traceerbaarheid tijdens de teelt, bewaring en transport van de hop.

Het kwaliteitszorgsysteem Belgische Hop werd nadien geïntegreerd binnen de ondertussen officieel door het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) goedgekeurde Sectorgids van de Primaire Plantaardige sector. Deze sectorgids wordt beheerd door Vegaplan.be.

Om als teler in aanmerking te komen voor certificering, moet voldaan worden aan een reeks van maatregelen die in de Sectorgids zijn beschreven. Via bedrijfscontroles en residucontroles door een erkende onafhankelijke controle-instelling (OCI) wordt nagegaan of het hopbedrijf daadwerkelijk voldoet aan de gestelde normen. Het kwaliteitszorgsysteem is dus niet alleen mooi op papier maar ook een feit in de praktijk.

Bedrijfscontrole

Een bedrijfscontrole vormt de basis van de certificering.

Elke hopteler moet op regelmatige basis zelf controle uitvoeren (=autocontrole) met betrekking tot de gestelde normen. Bij de eigenlijke bedrijfscontrole wordt dan door de auditor van de OCI nagegaan of het hopbedrijf voldoet aan de vereiste normen gesteld in het lastenboek.

Elk bedrijf wordt minstens 1 maal per 3 jaar door een OCI gecontroleerd en dit kan plaats vinden op elk ogenblik in de loop van het jaar. Jaarlijks gebeuren wel steekproefsgewijs bedrijfscontroles bij 10% willekeurig gekozen hoptelers, dit om de telers alert te houden.

Tijdens de controles wordt nagegaan of de hopteler de bedrijfsfiches (per perceel), teeltfiches (van de lopende teelt) en productfiches (per variëteit) op een correcte manier invult en bijhoudt.

Bij telers die zelf geheel of gedeeltelijk gewasbeschermingstoepassingen uitvoeren, moet de opslag voor bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en biociden aan bepaalde eisen voldoen. Dit wordt eveneens gecontroleerd tijdens de bedrijfscontrole. Ook de opslag van chemische meststoffen moet op een correcte manier gebeuren.

Indien het hopbedrijf een deel van zijn activiteiten uitbesteedt aan een loonsproeier of loonwerker, moeten die aangesloten zijn bij Vegaplan voor de IKKB Standaard voor de Aannemers van Land-en Tuinbouwwerken voor de Primaire Plantaardige Productie.

Indien de bedrijfscontrole tijdens het groeiseizoen plaatsvindt, kan de inspecteur beslissen om de productievelden te controleren.

De machines en het materieel dat gebruikt wordt bij de hopteelt moet ook aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zo mag bijvoorbeeld enkel een gekeurd spuittoestel worden gebruikt en moeten mazout- en olieleidingen van tractoren, plukmachines, stengelreiniger, transportbanden, drooginstallaties en hoppers op lekken gecontroleerd worden.

De gebouwen waar de hop geoogst, geperst en opgeslagen wordt, moeten ook aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zo moeten bv vreemde stoffen (o.a. meststoffen) en de brandstoftank zich op meer dan 4 meter bevinden van de plaats waar het oogsten, het drogen, het persen en de opslag van hop plaatsvindt. Kapotte ruiten of lampen dien onmiddellijk vervangen te worden. En het oogstafval, geproduceerd door de oogstmachine en de stengelreiniger, moet tijdens de oogst automatisch en rechtstreeks afgevoerd worden naar een zone buiten de oogst-, droog-, pers- en opslagplaats. Accidentele vermenging van het oogstafval met het geoogste product mag op geen enkele wijze mogelijk zijn. Bij aanwezigheid van meerdere rassen op het bedrijf, moeten deze rassen op de spieker te allen tijde strikt gescheiden worden gehouden.

Wat de verpakking van de hop betreft, moeten bij voorkeur nieuwe of anders heel propere al gebruikte verpakkingen worden gebruikt en moeten de hopbalen verzegeld worden door het ALV.

Residucontrole

De tweede hoofdpeiler van het voedselveiligheidsproject Belgische hop berust op residucontrole.

Er werd een bemonsteringsplan opgemaakt voor de hopteelt, met de bedoeling om via een correcte bemonstering residuen van gewasbeschermingsmiddelen op te sporen. Er wordt momenteel gecontroleerd op de aanwezigheid van zo’n 320 actieve stoffen. Dit gebeurt via de GC-MS/MS en de LC-MS/MS methode.

Dit zijn zowel actieve stoffen die erkend zijn in de Belgische hopteelt als actieve stoffen die niet erkend zijn in België, maar eventueel wel in de ons omringende landen met hop. Dit vormt dus een potentieel risico, dat deze toch gebruikt worden in de Belgische hop.

Residuen van actieve stoffen die erkend zijn in de Belgische hopteelt zijn toegelaten tot een bepaald Maximum Residu Level (MRL). Zolang de concentratie van het residu lager is dan de MRL is de voedselveiligheid gegarandeerd.

Indien er van bepaalde (nieuwe) fytoproducten wordt vastgesteld dat er – ondanks correct gebruik – ongewenste residu’s worden aangetroffen, dan kunnen onmiddellijk maatregelen genomen worden naar het gebruik van dit fytoproduct (aanpassing dosis of tijdstip).

Ligt een onoordeelkundig gebruik van het fytoproduct echter aan de basis van het residu, dan zijn (bv. bij herhaald vaststellen) sancties (zoals het vervallen van de sectorgids-erkenning) naar de betrokken teler toe mogelijk. Op deze manier wil de Belgische hopsector naar zijn afnemers toe garanderen dat de Belgische hop in dit opzicht voedselveilig is.

In het najaar van 2004 werden voor het eerst door een OCI bij 20% van de telers stalen voor residucontrole genomen. Sindsdien gebeuren er jaarlijks dergelijke onaangekondigde controles bij 20% van de telers van willekeurig gekozen variëteiten. Het is echter mogelijk dat een teler, waar in het verleden residu’s zijn teruggevonden, frequenter of intensiever zal worden gecontroleerd.

Indien ongewenste residu’s worden aangetroffen, dan is de OCI verplicht dit te melden aan het FAVV. Dit is de befaamde meldingsplicht. Na een dergelijke melding zal het FAVV acties ondernemen om het probleem in kaart te brengen en een goede inschatting te maken van het reële risico.

Resultaten residu-analyses 2011

  Flonicamid (Teppeki) Imidacloprid (Confidor 200SL) Myclobutanil (Systhane 20EW)
Toegelaten MRL 2 ppm 10 ppm 2 ppm
Staal 1 Geen meetbare residues
Staal 2 Geen meetbare residues
Staal 3 Geen overschrijdingen van de MRL
Niet aantoonbaar 0,099 ppm Niet aantoonbaar
Staal 4 Geen overschrijdingen van de MRL
Niet aantoonbaar Niet aantoonbaar 0,060 ppm
Staal 5 Geen overschrijdingen van de MRL
0,053 ppm Niet aantoonbaar Niet aantoonbaar
Staal 6 Geen meetbare residues

Na de hopoogst 2011 werd bij 6 hoptelers (= 21% van de telers) een hopstaal genomen door een onafhankelijk controle-organisme. Deze stalen werden door het Fytolab te Zwijnaarde bemonsterd. Via een combinatie van de gebruikte LC-MSMS en GC-MSMS technieken kunnen door hen een 395-tal verbindingen nauwkeurig gekwantificeerd worden.

Van 3actieve stoffen (flonicamid, imidacloprid en myclobutanil) zijn residu's aangetroffen. Deze 3 actieve stoffen zijn allen erkend in de Belgische hopteelt en de gevonden concentratie lag steeds een flink stuk onder de MRL.

Kwaliteitsketen sluiten

Het KB autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid van 14 november 2003 geldt voor alle stadia van productie, verwerking en distributie met inbegrip van de primaire productie.

Het is dus nodig dat de eerste hopverwerkers en de lokale hophandelaars zich hiermee in orde stellen. Zo wordt ook de kwaliteitsketen van de Belgische hop sluitend gemaakt.

Op 3 januari 2007 werd de sectorgids AGF handel en verwerking goedgekeurd door het FAVV.

Na overleg tussen Belgapom en het FAVV werd afgesproken dat waar nodig in de diverse hoofdstukken van de sectorgids AGF een aanvulling voor hop wordt gedaan, zodat de hophandel en -verwerking hierin zouden passen. Alle aanvullingen werden dan gebundeld en gezamenlijk ingebracht in een 2de versie van de Gids, die dan opnieuw diende goedgekeurd te worden door het FAVV. Deze goedkeuring kwam er op 7 april 2010.